De beslissende rechter in asielzaken

De rol van de rechter na  de arresten Ebilum en Quotal: wat betekenen deze uitspraken voor het asielrecht?

Op 4 juni 2026 beantwoordde het Hof van Justitie van de EU in Luxemburg in twee belangrijke uitspraken vragen die door de Rechtbank Zwolle in 2025 zijn gesteld. Het Hof van Justitie laat weten, dat de nationale rechter bevoegd is een volledig onderzoek te doen naar een asielaanvraag en een asielverzoek inhoudelijk gegrond te verklaren.

Wat heeft het Hof van Justitie van de EU in de zaken Ebilum en Quotal beslist?
Op 11 maart 2025 zijn door de rechtbank Zwolle prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. De vragen zijn op 4 juli 2025 aangevuld. Het draait daarbij om de volgende twee kernvragen:

  1. Is de nationale rechter bevoegd om in asielzaken zèlf een bindende inhoudelijke beslissing te nemen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de gegrondheid van het asielverzoek?
  2. Hoe dient het begrip ‘gegronde vrees’ te worden uitgelegd?

Vooral de eerste vraag is voor de Nederlandse praktijk  belangrijk, omdat de Nederlandse rechters tot dusverre aannamen, dat de taak om te beslissen op een asielverzoek alleen bij de IND lag. De rechter zou dan alleen nog mogen beoordelen of de IND haar werk binnen de grenzen van het redelijke had verricht.

Het Hof van Justitie oordeelt in deze zaken nu, dat de nationale rechter bij een afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, de bevoegdheid heeft om zelf een volledig, ex nunc, uitputtend en geactualiseerd onderzoek te verrichten naar de feitelijke en juridische elementen en de behoefte aan internationale bescherming van de verzoeker. Als de rechter op grond van dit onderzoek tot het oordeel komt, dat aan verzoeker internationale bescherming moet worden verleend, dan verleent de rechter ook zelf deze bescherming (tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen).[1]

Met betrekking tot het begrip ‘gegronde vrees’ oordeelt het Hof van Justitie dat dit betrekking heeft op de situatie waarin de omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gelet op zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. De bevoegde autoriteiten dienen een uitputtend en grondig onderzoek te verrichten naar deze omstandigheden, met name wat betreft de politieke, juridische, gerechtelijke, historische en sociaal-culturele aspecten ervan betreft.[2]

Wat betekenen deze uitspraken in de praktijk?
Met de uitspraken van het Hof van Justitie komt een einde aan de zogenaamde marginale toetsing door onze nationale rechters. In 2016 nog oordeelde de Raad van State dat de rechter niet de bevoegdheid toekomt om zijn oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas in de plaats te stellen van dat van de staatssecretaris. De rechter zou alleen een terughoudende toets mogen uitvoeren.[3]

Uit de uitspraak van het Hof van Justitie volgt nu, dat dat standpunt onjuist is. De gewone rechter is in Nederland volledig bevoegd zelfstandig een beslissing te nemen op een asielaanvraag.

De gevolgen van de uitspraken van het HvJEU zijn inmiddels al in de jurisprudentie terug te zien. Zo oordeelde de rechtbank Den Haag recent:

‘Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.’[4]

De IND blijft wel in eerste instantie het bestuursorgaan dat is belast met het beoordelen van aanvragen van vreemdelingen, maar de uitspraken van het Hof van Justitie betekenen, dat in de beroepsfase minder waarde zal worden gehecht aan de waardering door de IND.  De rechter hoort zelfstandig onderzoek te doen naar de vraag of iemand asiel moet krijgen. En als het antwoord daarop positief is, dan zal de rechter nu zelf de asielvergunning kunnen verlenen, in plaats van de Minister op te dragen nog eens naar de zaak te kijken en opnieuw te beslissen. Het zwaartepunt verschuift dus van de IND naar de rechter.

Voor wie goed de Europese jurisprudentie volgt komen deze uitspraken niet uit de lucht vallen. Al in een zaak tegen Hongarije wees het Hof van Justitie de rechter aan als de instantie van het grootste gewicht. Hongarije had een systeem ontwikkeld waarin de rechter onder het regime Orbán feitelijk buiten spel werd gezet, doordat steeds na een positieve uitspraak de Hongaarse IND toch weer negatief kon beslissen, zoals dat ook kon in Nederland onder de Afdelingsjurisprudentie. Daarmee maakte het Hof van Justitie in Luxemburg al in 2019 korte metten. In de uitspraak van 29 juli 2019 (Torubarov vs Hongarije) overwoog het Hof:

De lidstaten zijn er krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 ertoe gehouden, hun nationaal recht zo in te richten dat de behandeling van de bedoelde rechtsmiddelen een onderzoek door de rechter omvat van alle elementen, feitelijk en rechtens, aan de hand waarvan hij een geactualiseerde beoordeling van het specifieke geval kan maken, zodat het verzoek om internationale bescherming uitputtend kan worden behandeld zonder dat het nodig is het dossier terug te verwijzen naar deze autoriteit [5]

De uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 juni 2026 is dus nog aan de voorzichtige kant.

Conclusie

Dit betekent meer werk voor de rechter en minder invloed van de Minister in asielzaken. Hoe dat voor asielzoekers zal uitpakken, moet worden afgewacht. Maar de kans bestaat dat zij minder last krijgen van de politieke druk om “het strengste asielbeleid ooit” door te voeren. Paradoxaal genoeg hebben de Ministers die dat streven tot het hunne maakten  er zèlf voor gezorgd, dat zij minder grip op de asielstroom krijgen. Zij hebben immers sterk op de invoering van het Europese Migratiepact aangedrongen.

 

 

Noten:

[1] HvJEU 4 juni 2026, C-440/25 Ebilum vs Nederland (ECLI:EU:C:2026:448), r.o. 56-60 en HvJEU 4 juni 2026, C-198/25 Quotal vs Nederland (ECLI:EU:C:2026:447), r.o. 50-58.

[2] HvJEU 4 juni 2026, C-440/25 Ebilum vs Nederland (ECLI:EU:C:2026:448), r.o. 72-76

[3] Raad van State 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890 en ECLI:NL:RVS:2016:891

[4] Rechtbank Den Haag 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18534, r.o. 21

[5] HvJEU 29 juli 2019, zaak C-556/17, Torubarov vs Hongarije, HvJEU 29 juli 2019, r.o. 53  Met “deze autoriteit”  wordt de Hongaarse IND bedoeld.