Doorlooptijden in het vreemdelingenrecht (2023–2025): wettelijke beslistermijnen, ontwikkelingen en rechtsbescherming

1. Inleiding
De doorlooptijd van vreemdelingrechtelijke procedures staat al geruime tijd in het middelpunt van de maatschappelijke en juridische belangstelling. Waar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) lange tijd in staat was om een aanzienlijk deel van de reguliere verblijfsaanvragen binnen de wettelijke beslistermijnen af te handelen, is sinds 2022 sprake van een structurele toename van achterstanden, met name binnen de asiel- en nareisprocedures. De keuzes die de regering heeft gemaakt om meer aandacht te besteden aan politieke maatregelen om “het strengste asielbeleid ooit” na te streven in plaats van te investeren in een goed overheidsapparaat, hebben hun tol geëist. De combinatie van een stijgende instroom, personeelstekorten, een groeiend aantal rechterlijke procedures en organisatorische knelpunten heeft ertoe geleid dat wettelijke beslistermijnen regelmatig worden overschreden.[i]
Voor de betrokken vreemdeling zijn lange wachttijden meer dan een administratief ongemak. Een beslissing op een verblijfsaanvraag bepaalt veelal of iemand rechtmatig in Nederland mag verblijven, arbeid mag verrichten, aanspraak kan maken op sociale voorzieningen, gezinsleden kan laten overkomen of een duurzaam toekomstperspectief kan opbouwen. Zolang zo’n beslissing er niet is, staat het leven van de vreemdeling stil. Hij kan en màg soms zelfs niet verder met inburgeren of integreren. Ook voor werkgevers, onderwijsinstellingen en gemeenten brengt langdurige onzekerheid aanzienlijke praktische en financiële gevolgen mee.
Tegen deze achtergrond is het van belang inzicht te verkrijgen in de ontwikkeling van de doorlooptijden bij de IND gedurende de afgelopen jaren, de wettelijke beslistermijnen die op verschillende procedures van toepassing zijn en de rechtsmiddelen die beschikbaar zijn wanneer tijdige besluitvorming uitblijft.
Dit artikel bespreekt achtereenvolgens:
- de wettelijke beslistermijnen voor de belangrijkste categorieën verblijfsaanvragen;
- het belang van tijdige besluitvorming vanuit het perspectief van mensenrechten en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
- de ontwikkeling van de feitelijke doorlooptijden bij de IND tussen 2023 en 2025;
- de mogelijkheden om procedures te bespoedigen, waaronder en het beroep NTB (niet tijdig beslissen) en de zogenoemde “rode knop”
De analyse is gebaseerd op openbare bronnen van de rijksoverheid, waaronder jaarverslagen en openbare prestatiegegevens van de IND, Kamerstukken, wet- en regelgeving via Overheid.nl, publicaties van de Raad voor de rechtspraak, rechtspraak van Nederlandse bestuursrechters, jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), alsmede publicaties van VluchtelingenWerk Nederland en wetenschappelijke literatuur.

2 Wettelijk kader
2.1 Algemeen
De behandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning wordt beheerst door een samenstel van nationale en Europese regelgeving. De belangrijkste nationale wettelijke grondslagen zijn:
- de Algemene wet bestuursrecht (Awb);
- de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000);
- het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000);
- het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
Daarnaast spelen verschillende Europese richtlijnen een belangrijke rol, waaronder:
- de Procedurerichtlijn (2013/32/EU), nu vervangen door de Procedureverordening (EU) 2024/1348
- de Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG);
- de Richtlijn gecombineerde vergunning (Single Permit-richtlijn);
- de Richtlijn langdurig ingezetenen;
- diverse bepalingen uit het EU-Handvest.
De Awb bevat het algemene uitgangspunt dat bestuursorganen binnen de wettelijke beslistermijn behoren te beslissen. Indien een bijzondere wet geen termijn bevat, geldt in beginsel een redelijke termijn, die in de Awb nader is uitgewerkt.[ii]
Voor vreemdelingenzaken bevat de Vreemdelingenwet echter voor vrijwel iedere categorie aanvraag een eigen beslistermijn, zodat bijna nooit hoeft te worden teruggevallen op de redelijke termijn. In het streven naar een ongunstiger toetsingskader voor vreemdelingen dan voor andere burgers heeft de regering er wél een lappendeken van gemaakt.
2.2. De wettelijke beslistermijnen in het vreemdelingenrecht
Hoewel vaak wordt gesproken over “de” wettelijke beslistermijn, verschilt deze aanzienlijk per soort verblijfsprocedure.
Tabel 1. Wettelijke beslistermijnen bij de belangrijkste verblijfsprocedures
| Procedure | Wettelijke beslistermijn | Mogelijkheid tot verlenging | Juridische grondslag |
| Eerste asielaanvraag | 6 maanden | Ja, onder voorwaarden | art. 42 Vw 2000 |
| Nareis asiel | 90 dagen | Ja | Gezinsherenigingsrichtlijn en Vw 2000 |
| Reguliere verblijfsvergunning | 90 dagen | In bijzondere gevallen | art. 25 Vw 2000 |
| mvv arbeid | 90 dagen | Beperkt | Vw 2000 en relevante EU-richtlijnen |
| Bezwaar | 6 weken | Ja, eenmaal mogelijk | art. 7:10 Awb (maar in diverse vreemdelingenrechtelijke isprocedures 3 of zes maanden gebruikelijk) |
| Administratief beroep (indien toepasselijk) | 16 weken | Ja | Awb |
De wettelijke termijn vormt niet zonder meer de feitelijke behandeltijd. De praktijk laat zien dat met name asiel- en nareiszaken de afgelopen jaren aanzienlijk langer hebben geduurd dan de formele wettelijke termijn. De ontwikkeling daarvan wordt hierna besproken.

3 Normering van beslistermijnen
3.1 Doel van wettelijke beslistermijnen
Wettelijke beslistermijnen dienen verschillende rechtsstatelijke doelen.
In de eerste plaats beschermen zij de rechtszekerheid. Burgers moeten binnen afzienbare tijd weten waar zij juridisch aan toe zijn. Onzekerheid over de verblijfsstatus raakt vrijwel alle onderdelen van het dagelijks leven.
Daarnaast bevorderen beslistermijnen de rechtsgelijkheid. Wanneer aanvragen gedurende lange tijd blijven liggen terwijl andere dossiers wel worden behandeld, ontstaat het risico van ongelijke behandeling.
Ten slotte dragen beslistermijnen bij aan effectieve rechtsbescherming. Zonder afdwingbare termijnen zou een bestuursorgaan feitelijk kunnen voorkomen dat rechterlijke toetsing plaatsvindt door eenvoudigweg geen besluit te nemen.
Deze uitgangspunten sluiten aan bij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.[iii]
3.2 Rechtszekerheid
Het belang van tijdige besluitvorming vloeit rechtstreeks voort uit het rechtszekerheidsbeginsel.
Een vreemdeling moet binnen een redelijke termijn kunnen vaststellen of hij rechtmatig verblijf heeft, arbeid mag verrichten, gezinsleden naar Nederland kan laten komen of aanspraak kan maken op sociale voorzieningen. Wanneer procedures langdurig blijven liggen ontstaat een situatie waarin de feitelijke rechtspositie onduidelijk blijft.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft herhaaldelijk benadrukt dat wettelijke beslistermijnen niet slechts administratieve streefdata zijn, maar wettelijke normen die de rechtszekerheid dienen.
3.3 Zorgvuldigheid en evenredigheid
Ook het zorgvuldigheidsbeginsel speelt een belangrijke rol.
Een zorgvuldige besluitvorming vergt tijd. Maar een procedure die aanzienlijk langer duurt dan noodzakelijk kan juist onzorgvuldig worden. Naarmate de duur van een procedure toeneemt, neemt het risico toe dat bewijs verloren gaat, medische omstandigheden veranderen of gezinsomstandigheden wijzigen. Zelfs kan het wettelijk kader veranderen, waardoor een oorspronkelijk inwilligbare aanvraag ineens kan worden afgewezen, terwijl dit helemaal niet te voorzien was.
Sinds de hervorming van het evenredigheidsbeginsel in de bestuursrechtspraak wordt bovendien steeds nadrukkelijker gekeken naar de gevolgen van overheidshandelen voor individuele burgers. Een jarenlange wachttijd kan voor betrokkenen zeer ingrijpende gevolgen hebben.
3.4 Mensenrechtelijke dimensie
Naast nationale beginselen van behoorlijk bestuur speelt het internationale recht een belangrijke rol.
Binnen het Unierecht volgt uit artikel 41 van het EU-Handvest dat eenieder recht heeft op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Artikel 47 van hetzelfde Handvest waarborgt effectieve rechtsbescherming.
Het Europese recht verlangt niet dat iedere aanvraag onmiddellijk wordt afgedaan. Wel volgt uit de jurisprudentie dat structurele overschrijding van wettelijke termijnen niet onbeperkt kan worden gerechtvaardigd met een beroep op organisatorische problemen of capaciteitsgebrek
3.5. Europese normen
Niet alleen het nationale bestuursrecht verlangt tijdige besluitvorming. Ook in diverse verdragsrechtelijke verplichtingen is het beginsel neergelegd.
Langdurige onzekerheid kan bijvoorbeeld raken aan:
- artikel 8 EVRM (gezinsleven);
- artikel 13 EVRM (effectieve rechtsbescherming);
- artikel 47 EU-Handvest;
- artikel 41 EU-Handvest.
Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkent het recht op behoorlijk bestuur. Daaruit volgt onder meer dat bestuursorganen zaken binnen een redelijke termijn behoren af te handelen.
Daarnaast garandeert artikel 47 van het Handvest een doeltreffende voorziening in rechte. Dat recht verliest een belangrijk deel van zijn betekenis indien een bestuursorgaan gedurende zeer lange tijd nalaat een besluit te nemen.
Binnen het asielrecht volgt bovendien uit de Procedurerichtlijn (nu: Procedureverordening (EU) 2024/1348), dat lidstaten aanvragen zo spoedig mogelijk dienen af te handelen en slechts onder bijzondere omstandigheden de maximale behandeltermijn mogen verlengen.
Bij gezinsherenigingszaken komt daar artikel 8 EVRM bij. Langdurige vertraging kan leiden tot langdurige scheiding van gezinsleden. Relaties kunnen schipbeuk lijden als geliefden of huwelijkspartners door lange procedures van elkaar gescheiden worden houden. Continuïteit in de opvoeding kan verstoord raken als een kind of een ouder niet mee mag komen. Dat zijn ingrijpende gevolgen van schendingen van de normen. In zaken waarin minderjarige kinderen betrokken zijn, eist zowel de rechtspraak van het EHRM als die van het Hof van Justitie van de EU een bijzonder zorgvuldige en voortvarende behandeling.
Hoewel artikel 6 EVRM in beginsel niet van toepassing is op besluiten over toelating en verblijf van vreemdelingen, betekent dit niet dat langdurige besluitvorming mensenrechtelijk zonder betekenis is. Als de redelijke termijn die volgt uit artikel 6 EVRM wordt overschreden, kan de overheid namelijk schadeplichtig worden voor immateriële schade. De vuistregel is, dat na twee jaar[iv] voor elk extra half jaar wachten op een eindoordeel een schadevergoeding moet worden betaald van € 500. De meeste vreemdelingen vragen daar evenwel niet om.
Het Hof van Justitie heeft in verschillende uitspraken benadrukt dat procedurele termijnen daadwerkelijk effectief moeten zijn en niet illusoir mogen worden gemaakt door structurele organisatorische problemen binnen de nationale overheid.[v]
Ook de Nederlandse bestuursrechter heeft meerdere malen overwogen dat structurele overschrijding van wettelijke beslistermijnen niet verenigbaar is met de uitgangspunten van de Awb en de Vreemdelingenwet.
De wettelijke beslistermijn vormt daarom niet slechts een organisatorische norm voor de overheid, maar een essentieel onderdeel van effectieve rechtsbescherming.

Ontwikkeling van de doorlooptijden
4.1 Algemeen beeld
De ontwikkeling van de doorlooptijden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) laat tussen 2023 en 2025 een duidelijk tweedelig beeld zien. Enerzijds bleef de behandeling van het merendeel van de reguliere verblijfsaanvragen – zoals aanvragen voor studie, kennismigratie en veel gezinsmigratieprocedures – grotendeels binnen de wettelijke beslistermijnen. Anderzijds namen de wachttijden voor asiel- en nareisaanvragen verder toe. Deze categorieën zijn in toenemende mate bepalend geworden voor de omvang van de werkvoorraad, het aantal ingebrekestellingen, beroepen wegens niet tijdig beslissen (BNTB) en de door de IND verschuldigde dwangsommen.[vi]
De IND wijst in haar jaarverslagen op een combinatie van factoren die deze ontwikkeling verklaren:
- een gedurende meerdere jaren hogere instroom van asielaanvragen dan de beschikbare besliscapaciteit;
- een sterke groei van het aantal nareisaanvragen;
- een toenemende complexiteit van asieldossiers, onder meer door wijzigingen in landenbeleid en intensievere rechterlijke toetsing;
- een aanzienlijke toename van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures;
- een groot beslag op capaciteit door procedures over niet tijdig beslissen en de afhandeling van dwangsommen.[vii]
De Algemene Rekenkamer heeft in 2026 eveneens geconcludeerd dat de wettelijke beslistermijnen in de asielprocedure gedurende meerdere jaren structureel niet zijn gehaald en dat de achterstanden niet uitsluitend kunnen worden verklaard door een verhoogde instroom. Volgens de Rekenkamer spelen ook organisatorische factoren en de beperkte flexibiliteit van de uitvoeringsorganisatie een rol.[viii]
4.2 Asielaanvragen
Van alle vreemdelingrechtelijke procedures laten eerste asielaanvragen de meest uitgesproken verslechtering van de gemiddelde behandeltijd zien.
Volgens de openbare jaarcijfers van de IND bedroeg de gemiddelde doorlooptijd in de algemene en verlengde asielprocedure:
| Jaar | Gemiddelde doorlooptijd |
| 2023 | 43 weken |
| 2024 | 53 weken |
| 2025 | 67 weken |
Bron: IND Jaarcijfers 2024 en 2025.
De stijging is aanzienlijk. In twee jaar tijd nam de gemiddelde behandeltijd met bijna 56% toe. Tegelijkertijd daalde het percentage zaken waarin de IND binnen de wettelijke beslistermijn besliste van 65% in 2023 naar slechts 34% in 2025.
Het gaat in het overzichtje om gemiddelden. In de praktijk ziet Ad Astra Advocatuur dat het heel ‘normaal’ is als asielzoekers langer dan 2 jaar of soms zelfs drie jaar op een beslissing moeten wachten. Dat is lánger dan de 21 maanden die als absolute grens is gesteld door de Uniewetgever.
De werkvoorraad bleef gedurende deze periode hoog. Per 1 januari 2026 stonden ruim 51.000 aanvragen in de algemene of verlengde asielprocedure open. De IND merkt daarbij op dat de resterende voorraad relatief veel complexe dossiers bevat. De makkelijke hebben ze het eerst gedaan, om de cijfers te manipuleren en de achterstanden nog wat te camoufleren. Nu die eruit zijn is verdere verkorting van de doorlooptijden zonder structurele maatregelen volgens de IND moeilijk.
Juridische betekenis
Deze ontwikkeling heeft belangrijke rechtsstatelijke consequenties. De wettelijke beslistermijn van artikel 42 Vreemdelingenwet 2000 vormt de implementatie van Europese normen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt, dat lidstaten structurele organisatorische problemen niet onbeperkt aan vreemdelingen mogen tegenwerpen.[ix]
Dat betekent dat langdurige overschrijding van de wettelijke beslistermijn niet uitsluitend een uitvoeringsvraagstuk is, maar tevens raakt aan de effectieve werking van het Unierecht.
4.3 Nareis
Ook de behandeling van nareisaanvragen is de afgelopen jaren aanzienlijk vertraagd.
De gemiddelde doorlooptijd ontwikkelde zich als volgt:
| Jaar | Gemiddelde doorlooptijd |
| 2023 | 47 weken |
| 2024 | 70 weken |
| 2025 | 84 weken |
Bron: IND Jaarcijfers 2024 en 2025.
Daarbij daalde de tijdigheid van beslissingen spectaculair:
| Jaar | Binnen wettelijke termijn |
| 2023 | 16% |
| 2024 | 7% |
| 2025 | 2% |
Deze cijfers illustreren dat vrijwel alle nareisaanvragen in 2025 buiten de wettelijke beslistermijn werden afgedaan.
Volgens de IND hangt dit samen met de uitzonderlijk hoge instroom in 2024, terwijl de besliscapaciteit onvoldoende kon meegroeien. Daarnaast leidt een groot aantal procedures wegens niet tijdig beslissen ertoe dat capaciteit wordt ingezet voor procesvoering in plaats van voor het nemen van primaire besluiten. Maar dat is geen goed excuus: nareis volgt natuurlijk de ontwikkeling van de asielaanvragen. Er moet eerst een asielprocedure zijn doorlopen, voordat iemand een nareisaanvraag kan doen. Ontwikkelingen in het aantal nareis-aanvragen zijn dus met ruim een jaar van tevoren te voorzien. Een zichzelf respecterende overheid neemt dan tijdig maatregelen. Dat is ook in het belang van de werksfeer onder het eigen personeel.
Juridisch is deze ontwikkeling mensenrechtelijk perspectief bijzonder relevant. Nareisprocedures raken rechtstreeks aan het recht op eerbiediging van het gezinsleven als beschermd door artikel 8 EVRM en de Gezinsherenigingsrichtlijn. Langdurige scheiding van gezinsleden kan onder omstandigheden leiden tot schending van positieve verplichtingen van de Staat om effectieve gezinshereniging mogelijk te maken.
4.4 Reguliere verblijfsvergunningen
Een wezenlijk ander beeld ontstaat bij reguliere verblijfsaanvragen die geen betrekking hebben op asiel of nareis.
De IND benadrukt in zowel het Jaarverslag 2024 als het Jaarverslag 2025 dat de meeste reguliere aanvragen tijdig worden afgehandeld. Dat geldt onder meer voor:
- verblijf voor studie;
- kennismigranten;
- zoekjaar hoogopgeleiden;
- familie- en gezinsmigratie (voor zover geen nareis);
- verblijf voor onbepaalde tijd;
- naturalisatie.
Voor verschillende reguliere productgroepen ligt het percentage tijdige beslissingen tussen 95% en 100%. Zo werd in 2025 op aanvragen voor een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in 98% van de gevallen tijdig beslist. Ook naturalisatieverzoeken werden vrijwel volledig binnen de wettelijke termijn afgehandeld.
Dit onderscheid laat zien dat de capaciteitsproblemen zich niet in gelijke mate voordoen binnen alle onderdelen van de IND.
Overigens ziet Ad Astra Advocatuur, dat ook in reguliere zaken de doorlooptermijnen oplopen. Ook daar moet tegenwoordig vaak naar het middel van een beroep NTB worden gegrepen (zie hierna).
4.5 Verblijfsvergunningen met een mvv voor arbeid
De IND publiceert geen afzonderlijke gemiddelde doorlooptijden voor alle categorieën arbeidsmigratie. Wel volgt uit de maand- en jaarcijfers dat deze aanvragen in het algemeen binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn worden afgehandeld.
Voor vergunningen voor kennismigranten en andere vormen van arbeid meldt de IND consequent dat de meeste aanvragen binnen ongeveer één maand worden beslist, terwijl ook voor overige arbeidsmigratie de productie in de pas loopt met de instroom. De werkvoorraad blijft relatief beperkt in vergelijking met asiel- en nareiszaken.
Daarmee onderscheidt deze categorie zich fundamenteel van de asielpraktijk. Voor werkgevers is de voorspelbaarheid van de beslistermijnen van groot belang, omdat langdurige vertragingen directe gevolgen kunnen hebben voor de continuïteit van ondernemingen en de vervulling van vacatures.
4.6 Verschillen tussen de categorieën
De beschikbare openbare gegevens laten zich samenvatten in onderstaande tabel.
| Categorie | 2023 | 2024 | 2025 | Ontwikkeling |
| Eerste asielaanvraag | 43 weken | 53 weken | 67 weken | sterke verslechtering |
| Nareis | 47 weken | 70 weken | 84 weken | zeer sterke verslechtering |
| Reguliere aanvragen (algemeen) | grotendeels binnen termijn | grotendeels binnen termijn | grotendeels binnen termijn | min of meer stabiel |
| Arbeid / kennismigratie | overwegend tijdig | overwegend tijdig | overwegend tijdig | stabiel |
Bron: IND Jaarcijfers 2024–2025 en maandcijfers IND.
De tabel maakt duidelijk dat de problematiek van de overschrijding van wettelijke beslistermijnen zich vooral concentreert in twee categorieën: asiel en nareis. Voor reguliere verblijfsprocedures is van een vergelijkbare structurele achterstand geen sprake.
Men zou op grond hiervan kunnen concluderen, dat het kennelijk wel kàn. De achterstanden en het zich niet houden aan wettelijke termijnen in de andere velden van het vreemdelingenrecht zouden dan mogelijk duiden op een bewuste keuze van de overheid.

Doorlooptijden in bezwaar
5.1 De functie van bezwaar
De bezwaarfase vervult in het bestuursrecht een belangrijke rechtsbeschermingsfunctie. Voordat een geschil aan de bestuursrechter wordt voorgelegd, krijgt het bestuursorgaan de gelegenheid het primaire besluit te heroverwegen. In vreemdelingenzaken leidt dit regelmatig tot aanpassing van de motivering, herstel van procedurele gebreken of alsnog toewijzing van een aanvraag.
Voor vreemdelingen heeft de bezwaarfase bovendien een praktisch belang. Een gegrond bezwaar kan een langdurige beroepsprocedure voorkomen en daarmee sneller duidelijkheid bieden over de verblijfsrechtelijke positie.
In asiel is evenwel de bezwaarfase afgeschaft. Daar tilt de overheid kennelijk minder aan een zorgvuldige behandeling en is na de afschaffing van ook nog de zienswijze bij de invoering van het Migratiepact per 12 juni 2026 de kans dus groot, dat zaken in ‘niet-panklaar” bij de rechter terecht komen.
Op grond van artikel 7:10 Awb geldt als uitgangspunt dat binnen zes weken op bezwaar wordt beslist. Deze termijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd. Daarna is in beginsel sprake van niet tijdig beslissen.
5.2 Ontwikkelingen in bezwaar
Uit de openbare tertaalcijfers van de IND blijkt dat de bezwaarpraktijk de afgelopen jaren onder toenemende druk is komen te staan. Vooral binnen het reguliere vreemdelingenrecht is sprake van een aanzienlijke werkvoorraad. In de eerste vier maanden van 2025 stonden ruim 15.000 reguliere bezwaarschriften open. De tijdigheid van beslissingen in reguliere bezwaarzaken bedroeg in die periode slechts 21 procent. Ter vergelijking: in 2023 lag dit percentage op 26 procent.[x]
Deze cijfers laten zien dat ook buiten het asielrecht overschrijding van wettelijke beslistermijnen een structureel verschijnsel is geworden.
Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat de bezwaarpraktijk sterk verschilt per zaakstype. Openbare cijfers laten zien dat bepaalde reguliere vergunningen, zoals verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd, nog steeds grotendeels binnen de wettelijke termijnen worden afgehandeld. Voor bezwaarzaken bestaat een minder gunstig beeld.
5.3 Toename van ingebrekestellingen
Een belangrijke indicator voor vertraging vormt het aantal ingebrekestellingen.
Volgens de IND werden in 2025 ongeveer 37.500 ingebrekestellingen ontvangen. Dat betekende opnieuw een stijging ten opzichte van eerdere jaren. Slechts 11 procent daarvan werd tijdig afgehandeld. De totale uitgaven aan dwangsommen wegens ingebrekestellingen en beroepen wegens niet tijdig beslissen bedroegen in 2025 ongeveer € 79 miljoen.[xi] Daarbij moet bedacht worden dat dit cijfer nog flatteus is, omdat de Minister het Parlement gevraagd heeft om asielzaken van de algemene dwangsomregeling uit te sluiten. Sinds een aantal jaren verbeurt de Minister daardoor geen bestuurlijke dwangsommen meer. Dwangsommen die de Rechtbank na een beroep NTB (Niet Tijdig Beslissen) oplegt, moet de Minister nog wel betalen
De IND wijst er in verschillende publicaties op dat de behandeling van deze procedures een aanzienlijk beslag legt op de beschikbare capaciteit. Volgens de dienst leidt dit tot een vicieuze cirkel: meer vertraging leidt tot meer procedures wegens niet tijdig beslissen, die vervolgens weer capaciteit onttrekken aan de primaire besluitvorming.[xii]
De IND komt echter niet met een alternatief. Bovendien wisselt het beleid over welke zaakstromen op welk moment aan bod komen. Ook wordt niet een adequate inschatting gegeven wanneer een zaak dan wél aan bod komt. De Minister laat de vreemdeling daardoor geen andere keuze dan een beroep NTB in te stellen.

Mogelijkheden om procedures te versnellen
6.1 Verzoek om prioritaire behandeling
In individuele zaken kan de gemachtigde de IND verzoeken een aanvraag of bezwaar met voorrang te behandelen.
Een dergelijk verzoek heeft geen zelfstandige wettelijke grondslag, maar wordt in de praktijk regelmatig gedaan wanneer sprake is van bijvoorbeeld:
- ernstige medische problematiek;
- minderjarige kinderen;
- dreigend verlies van werk;
- dreigende dakloosheid;
- acute veiligheidsrisico’s;
- andere uitzonderlijke omstandigheden.
Een dergelijk verzoek verplicht de IND niet tot versnelde behandeling. En de meeste van zulke verzoeken blijven dan ook zonder gevolg.
6.2 Ingebrekestelling en beroep NTB
Wanneer de wettelijke beslistermijn is verstreken, kan een burger of een bedrijf het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke stellen. Dat is een algemene regel, die ook in het vreemdelingenrecht geldt.
Nadat de ingebrekestelling is ontvangen, krijgt het bestuursorgaan nog twee weken om alsnog een besluit te nemen. Als ook die termijn ongebruikt verstrijkt, kan de burger (de vreemdeling) naar de bestuursrechter om te klagen. Dat doet hij in een zogenaamd beroep NTB (beroep Niet tijdig beslissen).
De wettelijke grondslag daarvoor is te vinden in de artikelen 6:2, aanhef en onder b, 6:12 en 8:55b tot en met 8:55f Awb. Het uitblijven van een besluit wordt daarbij gelijkgesteld met een besluit, zodat rechterlijke toetsing mogelijk wordt.
De bestuursrechter behandelt de zaak dan niet inhoudelijk, maar kijkt alleen of er inderdaad te laat is beslist en of daar goede gronden voor zijn. Vervolgens draagt de bestuursrechter het bestuursorgaan op om binnen een termijn die de bestuursrechter reëel acht alsnog te beslissen. Doe het bestuursorgaan dat dan nóg niet, dan verbeurt het bestuursorgaan dwangsommen.
In verreweg de meeste asielzaken verbeurt de Minister gerechtelijke dwangsommen wanneer een beroep NTB is ingesteld. Voor veel reguliere vreemdelingrechtelijke zaken geldt dat ook.
Een gegrond beroep garandeert niet dat de IND daarna daadwerkelijk ‘tijdig’ (d.w.z. binnen de door de Rechtbank alsnog vergunde termijn) beslist.
Wanneer ook de door de rechtbank opgelegde termijn verstrijkt, kunnen nieuwe procedures ontstaan.
De rechtbank Den Haag heeft bevestigd dat als de extra termijn die de rechter heeft gegeven verstreken is, een tweede of zelfs derde opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen mogelijk is, ook wanneer er al op basis van een eerder gegrond NTB-beroep al dwangsommen zijn of worden verbeurd. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3629. Het is dan echter kennelijk nog steeds nodig om de IND tot voortvarendheid te bewegen en de dwangsommendreiging uit de eerste procedure is niet voldoende gebleken.
De praktijk van opvolgende NTB-procedures laat zien dat het vreemdelingenrecht in toenemende mate wordt geconfronteerd met structurele uitvoeringsproblemen. Procedures die oorspronkelijk waren ontworpen als uitzondering, zijn voor bepaalde categorieën zaken een terugkerend onderdeel van de rechtsbescherming geworden.
6.3. De zogenoemde “Rode knop”
Achtergrond Rode knop
Sinds 2025 beschikt de IND over een bijzondere voorziening die bekendstaat als de “rode knop”. Deze procedure is ontwikkeld in samenwerking met onder meer advocaten, VluchtelingenWerk Nederland, NIDOS, COA en andere ketenpartners.
De rode knop is nadrukkelijk niet bedoeld als alternatief voor reguliere procedures of voor het beroep wegens niet tijdig beslissen.
Voorwaarden en werking Rode knop
Volgens het door de IND gepubliceerde formulier mag de rode knop uitsluitend worden gebruikt wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
- de situatie is zeer schrijnend én dringend;
- het is evident onredelijk dat de zaak nog langer moet wachten;
- de gevolgen van verder uitstel zijn onaanvaardbaar;
- bestaande procedures bieden geen adequate oplossing.
Voorbeelden die in de praktijk worden genoemd zijn:
- terminale ziekte van de aanvrager of een gezinslid;
- zeer ernstige medische noodsituaties;
- situaties waarin kinderen ernstig worden getroffen;
- andere uitzonderlijke humanitaire omstandigheden.
Het aantal gevallen waarin de IND reageert met een versnellende behandeling nadat op de rode knop is gedrukt is zeer beperkt. Dat is ook uitdrukkelijk de bedoeling geweest bij de invoering van dit piepsysteem. Het gaat om de uitzonderlijke gevallen onder de zeer urgente gevallen. Van advocaten wordt ook verwacht, dat zij er met terughoudendheid gebruik van maken, omdat anders die zaken, waarvoor deze route is bedoeld alsnog ondergesneeuwd raken en de IND-beoordelaars hun werk niet kunnen doen. Als het gaat om gevallen die weliswaar volgens de betrokkenen zeer urgent zijn, maar waarvan er méér zijn (bijvoorbeeld vrees om slachtoffer te worden van oorlog en geweld) dan is de rode knop doorgaans niet de geëigende procedure. Dat is dan immers geen uitzonderlijke situatie. Er zou in zulke gevallen (bijvoorbeeld bij vrees voor genocide) wel via de politiek kunnen worden aangedrongen op prioritering van de behandeling voor die groep aanvragers.
De rode knop creëert geen zelfstandig recht op versnelling en evenmin een afzonderlijk rechtsmiddel.[xiii] Het betreft een interne prioriteringsprocedure waarmee uitzonderlijke dossiers onder de aandacht van de IND kunnen worden gebracht. De rechtbank Den Haag heeft in een uitspraak uit 2025 bevestigd dat het doel van de procedure is om urgente en schrijnende zaken onder de aandacht te brengen zodat deze met voorrang kunnen worden beoordeeld. ECLI:NL:RBDHA:2025:15060.
6.4. Relevante jurisprudentie beroep NTB en Rode knop
| Uitspraak | Onderwerp |
| ECLI:NL:RBDHA:2025:15060 | Rode knop-procedure |
| ECLI:NL:RBDHA:2026:3629 | Opvolgend NTB-beroep |
| ECLI:NL:RBDHA:2026:8201 | Procesbelang na alsnog genomen besluit |
| ECLI:NL:RVS:2025:1301 | Nadere beslistermijnen en rechterlijke sturing |
| Deze uitspraak werd door lagere rechters evenwel zó in strijd met de in het algemeen bewustzijn levende rechtsbeginselen beschouwd, dat de rechtbanken zijn doorgegaan met beroepen NTB gegrond te verklaren en dwangsommen op te leggen aan een structureel weigerachtig bestuursorgaan (in dit geval de Belastingdienst in het toeslagenschandaal), ook omdat de burger geen enkel ander middel heeft om een beslissing van de overheid af te dwingen. Hoewel dit ongebruikelijk is en de Rechtbank dat ook erkent, leggen de rechtbanken zich dus vooralsnog niet neer bij de uitspraak van de Raad van State. |
7 Conclusie
De afgelopen jaren hebben laten zien dat het probleem van overschrijding van beslistermijnen niet langer beperkt is tot incidentele dossiers. Met name in asiel- en nareiszaken zijn vertragingen structureel geworden.
Voor vreemdelingen vormt het beroep wegens niet tijdig beslissen daarom een essentieel instrument van rechtsbescherming. De procedure is relatief eenvoudig: na afloop van de wettelijke termijn volgt een ingebrekestelling, waarna twee weken later beroep kan worden ingesteld indien een besluit uitblijft. Maar daarmee is de vreemdeling nog niet geholpen. Het gaat erom dat hij of zij verder kan met zijn of haar leven, en dat er een beslisisng komt die dat mogelijk maakt. Of dat nu een gunstige of ongunstige beslissing is. Daarom is het van groot belangd at er structureel werk wordt gemaakt van het voldoen aan wettelijke termijnen door de IND. Het feit dat dit is sommige rechtsgebieden binnen het vreemdelingenrecht wél gewoon lukt, laat zien dat het wél kàn.
Totdat het zover is, blijft het behelpen met het beperkte instrumentarium dat beschikbaar is om op termijnoverschrijdingen te reageren Hoewel de bestuurlijke dwangsom sinds april 2025 is afgeschaft voor vreemdelingenzaken, blijft de rechterlijke dwangsom bestaan. De rechtspraak heeft bovendien recent geprobeerd meer uniformiteit aan te brengen in de hoogte daarvan.
Vanuit het perspectief van het EVRM, het EU-Handvest en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur blijft tijdige besluitvorming een fundamenteel onderdeel van effectieve rechtsbescherming. Wanneer wettelijke termijnen structureel worden overschreden, raakt dat niet alleen individuele vreemdelingen, maar ook het vertrouwen in de rechtsstaat en de uitvoerbaarheid van het vreemdelingenrecht als geheel.
[i] IND, Jaarverslagen 2023, 2024 en 2025; Algemene Rekenkamer, Beslistermijnen in de asielprocedure vaak niet gehaald (2026); diverse Kamerstukken II 2023–2025 inzake de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
[ii] Art. 4:13 Algemene wet bestuursrecht; art. 25 en 42 Vreemdelingenwet 2000; zie tevens de relevante bepalingen in het Vreemdelingenbesluit 2000.
[iii] Zie onder meer hoofdstuk 3 van de Awb en de codificatie van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de bestuursrechtelijke jurisprudentie.
[iv] Als hoger beroep wordt ingesteld, is de termijn uiteraard langer.
[v] Zie onder meer HvJEU 29 juli 2019, zaak C-556/17, Torubarov vs Hongarije, ECLI:EU:C:2019:626 en HvJEU 8 november 2022, gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21 van C,B en X vs Nederland, ECLI:EU:C:2022:858. Deze zaken zagen niet specifiek op het weigeren te beschikken, maar op andere manieren waarop een uiteindelijke beslissing in de procedure voor zich uit werd geschoven, namelijk door telkens stappen te herhalen of argumenten niet in één keer mee te nemen. Dan is er geen effectief rechtsmiddel meer, zo oordeelde de Grote Kamer van het Hof in Luxemburg. Voor de nationale context zie onder meer de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak over overschrijding van beslistermijnen en de toepassing van de artikelen 6:2 en 6:12 Awb.
[vi] IND, Jaarcijfers 2024 en Jaarcijfers 2025
[vii] IND, Stand van de uitvoering 2025
[viii] Algemene Rekenkamer, Beslistermijnen in de asielprocedure vaak niet gehaald (2026).
[ix] Zie onder meer HvJEU 29 juli 2019, Torubarov, ECLI:EU:C:2019:626, en B, C en X vs Nederland HvJEU 8 november 2022, gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.
[x] IND Tertaalcijfers januari–april 2025, onderdeel “Bezwaar regulier”
[xi] IND, Jaarcijfers 2025. Het aantal ingebrekestellingen bedroeg ongeveer 37.500; het totaal aan betaalde dwangsommen bedroeg € 79 miljoen.
[xii] IND, Stand van de uitvoering 2025. De IND meldt daarin meer dan 6.000 beroepen niet tijdig beslissen per maand en wijst op de belasting voor zowel de IND als de rechtspraak.
[xiii] Kamerstukken II 2024/25, wetsvoorstel inzake aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000; toelichting op de introductie van de rode knop.